Heupdysplasie is een ziekte, die door een deformatie van het heupgewricht en
de dijbeenkop veroorzaakt wordt. Ze passen niet meer in elkaar, omdat de heupkom
bij HD een andere vorm heeft als de dijbeenkop, waardoor het gewricht instabiel
wordt.
Bij een gezond gewricht zit de kogelvormige dijbeenkop perfect in de ronding
van de heupkom. Bij een dysplasie is de verbinding niet meer zo- vast, zodat
de dijbeenkop gedeeltelijk de verbinding met de gewrichtskom verliest.
Het resultaat van HD in een gevorderd stadium is artrose. HD treft het meest
de middelgrote tot grote rassen. Maar in het algemeen kan men het bij elk ras
aantreffen.
HD is geen aangeboren ziekte, maar ontwikkeld zich in de opgroeifase. Er is
echter wel een erfelijke aanleg. De ontwikkeling van HD hangt af van de individuele
erffactoren (vorm van het gewricht, hoeveelheid bespiering) en van omgevingsfactoren
( de snelheid van de groei, de manier van voeden, de dagelijkse belasting).
Een studie in Amerika toont aan, dat de vererving tot neiging naar HD
bij de Duitse Herders bij 74% en bij de Labrador zelfs bij 92% ligt. Dit
werd door een Penn Hip systeem voor HD onderzoek ontdekt.
Dit systeem wordt in Amerika gebruikt bij het onderzoek van 16 weken oude welpen
(pups). Een andere studie geeft aan, dat HD negatieve ouders 64 – 81% HD negatieve
en 19 – 37 % HD positieve nakomelingen hebben. Omgekeerd zijn de nakomelingen
van HD positieve ouders tot 17 – 37 % HD negatief en tot 63 – 93% HD positief.
Alle honden worden zonder uitzondering HD negatief geboren, zelfs de dieren
die later HD positief worden.
De belangrijkste tijd voor de ontwikkeling van de heupgewrichten zij de eerste
twee maanden wanneer de verbindingen nog zacht en hoofdzakelijk uit kraakbeen
bestaan. Kraakbeen wordt eerst later door het verhardingsproces omgezet tot
hard bot.
De instabiliteit van de heupen ontwikkeld zich, wanneer de kracht, die op de
beenderen wordt uitgeoefend, haar elasticiteit overschrijdt. Onder normale omstandigheden
wordt de kracht op de oppervlakte van de heupbeenderen bijna loodrecht en praktisch
centraal uitgevoerd. Onder belasting wordt de dijbeenkop van een instabiele
heup meer tot een naar voren buitenste rand van de heup geschoven en niet naar
het midden zoals bij een gezonde heup. Het gevolg is overbelasting van de bovenste
heuprand, de heupkom wordt vlakker en de ontwikkeling wordt verstoord. Wanneer
er opnieuw druk op de voorste bovenste heuprand wordt uitgeoefend, wordt de
heupkom elke keer vlakker en de dijbeenkop verliest zijn grip. Uiteindelijk
zijn er door deze kringloop verschillende waarderingen van HD.
Als alleen de helft van de dijbeenkop in de heupkom ligt, spreekt men
van subluxatie. Subluxatie kan zich tot luxatie, de volledige uitrekking van
het heupgewricht, verder ontwikkelen. De dijbeenkop verliest zijn normale vorm,
terwijl de druk van de heupkom ongelijkmatig is. Wanneer de dijbeenkop en de
heupkom verschillende vormen hebben of de heup verzwakt is, is de druk op het
kraakbeen ook verschillend. Dat leidt tot een degeneratie van de heupen. Het
kraakbeen wordt verhard en poreus en wordt totaal verstoord. Als reactie op
het aangetaste kraakbeen worden de beenderen groter en dikker. Röntgenstralen
kunnen de kraakbeen verharding in het overbelaste gebied zichtbaar maken.
Resultaat de vooruitspringende groei van exotose. Deze groei vindt men
aan de verankeringen van de gewrichtsbanden tussen de dijbeenkop en de dijbeenhals.
Als de woekeringen zich verder ontwikkelen, wordt door hun aanwezigheid de normaal
rondgevormde dijbeenkop, paddestoelvormig. Al deze secondaire artrosevormige
veranderingen zijn voorboden van een degeneratieve voortzetting, die men osteo-artrose
noemt. In het geval van heupdysplasie artrose is het resultaat een heup deformatie.
De meest exacte methode om een HD diagnose te stellen is een röntgenfoto te
laten maken.
Voor een goede beoordeling is een HD-foto van hoge kwaliteit nodig.Om vergissingen
te voorkomen moet de foto beschreven worden. De foto wordt naar een dierenarts
gestuurd, die de bevoegdheid heeft de HD diagnose te stellen voor dat ras. De
minimale leeftijd voor een zekere diagnose is in Tsjechië (ook in Nederland)
12 maanden, voor grote en supergrote rassen 18 maanden. Dit wordt door de verschillende
rasverenigingen uitgemaakt.De FCI legt de norm tussen de minimale leeftijd van
12 – 18 maanden vast. De Amerikaanse OFA heeft de minimum leeftijd van 12 maanden
naar 24 maanden verhoogd, omdat ze ontdekt hebben dat niet alle gevallen van
HD in de leeftijd van 12 maanden ontdekt kan worden.
Verschillende auteurs stelden tijdens hun werk vast, dat röntgenmethode in de
leeftijd van 12 maanden alleen 66% van de HD positieve honden werd ontdekt,
terwijl in de leeftijd van 18 maanden 84% van de HD positieve honden werden
ontdekt. In de leeftijd van 24 maanden werden 94% van de HD positieve honden
ontdekt. Bij de röntgendiagnose worden ventrolaterale opnamen gebruikt, hier
ligt de hond op zijn rug en zijn achterbenen worden gelijkmatig naar achteren
gestrekt. Een goede positie kan men door een v-vormige tafel (v-vormige bak)
bereiken. Spierontspanning wordt door narcose bereikt. De röntgenfoto moet het
bekken, kruisbeen, dijbenen en- knieën vatten. Voor een correcte beoordeling
van de foto moet het beeld symmetrisch zijn. (Een slechte ligging kan een verkeerde
beoordeling geven).
De röntgendiagnose is gebaseerd op de beoordeling van het aantal graden van
de subluxatie en de eventuele aanwezigheid van artrose. De graad van de subluxatie
wordt door de vorm en de breedte van de heupspleet, de positie van het midden
van de dijbeenkop tot de bovenste rand van de heupkom en door de Norberg-Olsson-hoek
vastgesteld. Op basis van deze criteria stelde de wetenschappelijke commissie
een tabel samen die de HD in 5 variaties verdeeld. De FCI tabel werd in 1993
zodanig veranderd, dat de graden van HD met de letters A tot en met E benoemd
worden. Afgezien van deze tabel bestaan er nog andere tabellen overal op de
wereld.
Er zijn de VS OFA tabel, de Britse en de Zwitserse registratie systemen en
de Zweedse tabel. In Tsjechië wordt een aangepaste tabel gebruikt. De waardering
wordt met de cijfers 0 – 4 aangegeven. O is HD negatief, 1 is een overgangsnorm,
2 is een lichte HD, 3 is een middelzware HD en 4 is zware HD.
Medische symptomen, zoals het problematisch opstaan van de honden, de onwilligheid
zich te bewegen en hinken, dat na belasting erger wordt, hoeft niet altijd met
het röntgenonderzoek overeen te stemmen.
HD is een erfelijke ziekte die door meerdere erfelijke factoren be?nvloed wordt.
De omgeving speelt daarbij een grote rol. Op grond van haar gecompliceerde genetische
basis is het onmogelijk deze ziekte, ondanks alle goede bedoelingen van de fokker,
uit te roeien. Maar met het beperken van fokken met honden die boven een bepaalde
waarde zitten kan de HD wezenlijk teruggedrongen worden.
(AANVULLING: In Nederland moet naast de ventrolaterale positie (gestrekt) ook
een foto worden gemaakt in de z.g. kikkerstand )
MVDr. Jan Sterc, MVDr. EVA Stercova
|
Schema van een röntgenfoto in ventrolatererale positie
(gestrekte vorm)
|
|
Ventolaterale röntgenfoto van een gezonde heup
De spleet is smal, de oppervlakte is congruent, de dijbeenkop is perfect
rond, de kom is diep genoeg zodat de helft van de heupkop er in past.
A = Heupkom
B = Voorste rand van de kom
C = Voorste en laterale rand van de kom
D = Bovenste rand van de kom
E = Caudale rand van de kom
|
-
|
HD heup De randspleet is breder, de gewrichtsoppervlakten
hebben niet de gelijke vorm, de dijbeenkop staat buiten de bovenste rand
van de kom, de totale aansluiting met de kom wordt vlakker en de kraakbeenverharding
is zichtbaar.
|
Heup met artrose verschijnselen

A-Artrosevorming op de voorste laterale rand van de
heupkom
B-Afplatting van de voorste laterale rand
C-Brede “gedeelde” heupspleet
D-Artrosevorming aan de basis van de heupkom
E-Kraag van artrose in het gebied van de dijbeenkop en dijbeenhals
F-Artrosevorming langs de bovenste rand van de dijbeenhals
|
HD – gewricht met degeneratieve veranderingen

|
|